Lezing van de dag

Woensdag, 21 Februari 2018 : Uit het boek Jona 3,1-10.

Het woord van de Heer werd voor de tweede maal tot Jona gericht: “Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.” Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de Heer bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad, drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona begon de stad in te gaan, een dagreis ver. Toen riep hij: 'Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!' Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. Hij liet in Nineve omroepen: 'Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!' En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer.

 


 

Woensdag, 21 Februari 2018 : Psalmen 51(50),3-4.12-13.18-19.

God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden. Schep in mij een zuiver hart, mijn God, geef mij weer een vastberaden geest. Wil mij niet verstoten van uw Aanschijn, neem uw heilige Geest niet van mij weg. In geschenken hebt Gij geen behagen, wat ik U ook bied, Gij wilt het niet. Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid, een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.

 


 

Woensdag, 21 Februari 2018 :

 


 

Woensdag, 21 Februari 2018 : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 11,29-32.

In die tijd, toen het volk samenstroomde, begon Jezus te spreken: 'Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensen­zoon het zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met de mensen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo; welnu hier is meer dan Salomo. De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroor­delen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: welnu, hier is meer dan Jona.

 


 

Woensdag, 21 Februari 2018 : Commentaar H. Hiëronymus

Als Jona een gelaat van de Heer is, en door drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis te verblijven het Lijden van de Heer oproept, dan moet zijn gebed ook een uitdrukking van het gebed van de Heer zijn. “Verstoten ben ik uit uw ogen, maar eens zal ik uw Tempel weer aanschouwen.” (Jon 2,4) Wanneer Ik met U ben, en geniet van uw licht, dan zeg Ik niet: Verstoten ben Ik uit uw ogen. Maar eenmaal op de bodem van de zee, en omgeven door het lichaam van een mens, neem Ik de gevoelens van de mens aan en Ik zeg: Verstoten ben Ik uit uw ogen. Dat heb Ik als mens gezegd; vervolgens zeg Ik als God, Ik die in uw staat ben, en die zich niet laat voorstaan op mijn gelijkheid aan U (cf Fil 1,6), omdat Ik de mensheid naar U wilde opheffen: “maar eens zal ik uw Tempel weer aanschouwen”. Zo zegt het evangelie het: “Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond” (Joh 17,5) en de Vader antwoordt: “Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken” (Joh 12,28). De enige en zelfde Heer vraagt als mens, en belooft als God, en Hij is zeker van het bezit dat altijd de zijne zal is. “De wateren omringden mij, de diepte omving mij.” (Jon 2,5) Dat de hel Mij niet gevangen neemt! Dat hij niet weigert om Mij te laten gaan! Ik maakte vrijwillig de neerdaling, dat Ik ook vrijwillig ten hemel mag varen. Ik ben vrijwillig gevangene geworden, en Ik moet de gevangen bevrijden opdat dit vers vervuld zal worden: “Hij is opgevaren naar den hoge, Hij heeft gevangenen meegevoerd” (Ps 69,19; Ef 4,8). Zij die immers tevoren gevangenen in de dood waren, hen won Hij voor het leven. “Toen sprak de Heer tot de vis en de vis spuwde Jona op het droge.” (Jon 2,11) Er wordt dus bevolen aan de walvis, de afgrond en de hellen om de Verlosser van de aarde terug te geven; zo kan Degene die stierf om de vastgeketenden te bevrijden uit de banden van de dood, een menigte met Zich meenemen naar het leven.